Vivan. Je kan beter ondernémen.

RSS

Feitelijke beschikkingsmacht percelen

08-03-2018

Landbouwgronden welke men in gebruik heeft, tellen in principe mee voor de mestwetgeving. Het maakt daarbij niet uit welke gebruikstitel (eigendom, pacht, grondgebruiksverklaring etc.) men heeft. Het is echter wel van belang dat men het volledige gebruik (feitelijke beschikkingsmacht) van de gronden heeft. Dit zal met name spelen bij gronden die men in gebruik heeft van derden. Wanneer de verpachter de gebruiksmogelijkheden ernstig beperkt, kan er bij controle geoordeeld worden dat men niet de feitelijke beschikkingsmacht heeft en de grond daardoor niet meetelt. Dit kan leiden tot een mestboete vanwege het overschrijden van de gebruiksnormen en een boete voor het onjuist invullen van de Gecombineerde opgave. Hieronder volgen een paar voorbeelden uit recente rechtszaken.

Een voorbeeld is het gebruik van dijkpercelen, welke worden gepacht van het waterschap. Volgens de pachtovereenkomst mogen de percelen alleen gebruikt worden voor het beweiden door schapen. Alle werkzaamheden op de percelen, zoals bemesten, maaien en onkruidbestrijding worden gedaan door de verpachter. Verder moet de pachter aanwijzingen van de verpachter inzake de beweidingsintensiteit terstond opvolgen. De pachter mag de percelen volgens de rechter niet meetellen voor de mestwetgeving.

Een ander voorbeeld is een landbouwer, die een aantal percelen grond pachtte op een voormalige vuilstortplaats. Volgens de pachtovereenkomst was de landbouwer verplicht de percelen ten minste drie keer per jaar te maaien, namelijk voor 15 juni, voor 1 augustus en voor 31 oktober en het gras af te voeren. Verder mocht hij zonder schriftelijke toestemming van de verpachter de percelen niet beweiden en moest hij zorgen dat de locaties er het gehele jaar verzorgd uitzagen. De landbouwer stelde weliswaar dat hij vrij was de percelen te beweiden en te bemesten, maar vaststond dat hij daarvoor eerst moest overleggen met de verpachter. Het voorgaande bracht met zich mee dat de landbouwer niet de feitelijke beschikkingsmacht over de percelen had. Deze grond telde daarom niet mee voor de mestwetgeving. De rechter liet in het midden of er sprake was van landbouwgrond.